Skip to content
1676

Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen

Jodocus Lodenstein

Te singen op hare reise na Oost-Indien. Wijse: Van de CIII. Psalm. I. OP uw gena, Genadig Heer, ontbinden Wy 't vlugtig doek, en geven 't aan de winden, En bieden 't holle schip de dolle Zee: Op u gena wy tobben op de baren; Op u gena laat ons geluckig varen, Door uw gena wijst ons een veil'ge ree. II. Siet daar verdwijnt het Vaderland, de bergen, De Hooge Steden, en de toornen bergen Sig agter het gordijn van onsen kim. Inwoonders ah! saagt gy 't, hoe soud gy sugten! Uw' stercke ste'en (O droevig voorspook!) vlugten: Wy sien uw Hoogheyt al is maar een schim. III. Vaar wel, tot nog voorspoedig Land! wy dragen In onsen boesem 't Land dat d' oude sagen, En daarom lieten Huys en vrienden voort: Die Stadt wiens konstenaar en Bouwer Godt // is; En als dat kostelijcke daar ons lot // is, Wat vragen wy na 't Land van ons geboort? IV. Ons' Oudren lief! dien w' onder't herte lagen,

En die ons nu in 't herte leggen; dragen Wy u niet met ons waar wy reysen? Gy Sijt in ons hert, en wy in 't uw' gelegen: O Vaders lief! O Moeders lief! u segen Die wy op 't scheyden kregen, blijft ons by. V. Uw sorge self heeft ons teed're jaren In kindsch verstand, noch ruw en onvervaren Geleerd, ons Vader in den Hemel is; Dat is waaragtig, dies wy slaan ons oogen Na boven, en het Goddelijck mee-doogen Maackt die beloft ons door 't geloove wis. VI. Wy sullen ons door liefden tot elkand'ren Door Liefde die geen eeuwe sal verand'ren Ons' Oudren af-sijn duldig dragen doen. O Vader! komt en bind ons hert te gader, Door Iesum aan u vast, en treckt ons nader In voorspoet still, en lijdsaam in u roe'en. VII. Daar laten wy nu tobbend op de baren Dien overvloedt der Godt-verligte scharen: Maar alles is ons Iesus in den Geest. Hy is het Woord des Vaders, Hy ons Tempel, Hy ons geselschap, ons volmaackt Exempel, 't Geslagte Lam ons eenig Paschen-Feest. VIII. Wy gissen wel dat al wat lief en teder Is, roept; Keer Holckenburg! Mary keer weder! Maar wat daar lieflijck roept wy horen 't niet: Niet dat de wind, niet dat de felle golven Ons ooren tuyten doen; of wy bedolven (Verby 't gevoelen) steecken in 't verdriet; IX. Noch dat den Ganges met nog liever schatten In Goud of Steen ons herten soo kan vatten,

Dat wy als Goud en Steen onraackbaar sijn: Och neen! wy laten Diamant en doosen Voor haar wiens deel op aarden is, en koosen Om Goud nog steen, den Ganges voor den Rhyn. X. Daar is een sterck geroep, dat ons 't geloov // maakt En voor 't geroep van wat ons lief is doov // maakt: Een Macedonisch-Man ist, Formosaan, Of Amboynees', Arouwaan, of Chinese; (Sou dit wel d'aenvang van ons Pinxter wesen?) Althoos sijn spraack wy duydelijck verstaan. XI. Die heeft den Berg van s' Heeren Huys gelegen Op aller Bergen top in 't oog gekregen, En vloeyt met sijn geselschap derwaarts aan. Die schreeuwen, t'sa! t'sa! t' samen na den Heere! En Holckenburg! kom ons sijn wege leere': Wy willen wy sullen met u gaan. XII. Wie soude d' on-op-houdelijcke vlagen Van sulken schreeu ontveinsend kunnen dragen? Of 't lief geroep noch hooren daar door heen? En wouden wy; hy treckt ons by de slippen En segt, gy kunt, gy sult ons niet ontglippen Voor wy den dorpel van Godts huys betre'en. XIII. Dus sien wy Zion herelijck verheven Met Moor en Indiaan, die op-geschreven Sijn in 't getal der Burg'ren van die Stadt. Com Noorden-wind, com Westen-mouson schigtig En drijft ons haast: com Oost en Zuyden pligtig Breng Sonen Gods, en Dogt'ren als een schat. XIV. Nu brand ons' hert, en niet en sal 't beswalcken. Verwondert u niet stuyrman, soo de balcken Daar op wy drijven, snelder gaan als oit,

Want noit en trock de Noord-ster so u naalde, Als nu die Oost-Zuyd-Oost-ster (die noit daalde) Ons hert en schip treckt, en ons reis voltoit. XV. Verwondert u niet dat u seylen rond // staan; 't Sijn niet dan sugten die uyt hert en mond // gaan Van vromen, die voor ons den Opper-Heer (Die wind en stromen magtig kan gebieden) Al smekend' bidden, en voor uyt bedieden Ons voor-de-wind, in't stigten van sijn Eer. XVI. De son in 't suyden siet ons tot hem komen Al beytlend' op de wanckelbare stroomen, Hy wagt ons niet maar loopt ons te gemoet, En tragt voor ons den Evenaer te krijgen: Dus sien wy ons het ligt van Gracy stijgen, En liefden-warmt verand'ren in een gloet. XVII. En of, wanneer gy Java meent te vinden, Gy vond u reeckning door d' onseeckre winden Mis-maackt, en u verbystert op het lest: Zijt niet verbaast ons' herte sal wel peylen Hoe na wy sijn, en hoe verr nog te seylen, Ia gissen op een uyrtjen Oost-en-West. XVIII. En of den droeven Hemel dan sijn sterren Niet blincken, en u deed op zee verwerren: Bruyck maar 't Compas van ons' hert tot geleydt; En luister maar aandagtig, gy sult hooren Een Land-geroep van duisend uit-verkooren Die op ons komst ons Vader heeft bereydt. XIX. Ach! Vader lief! dewijl wy tobbend' drijven Op 't wanckle vogt, wilt immer by ons blijven En 't hert op u onwanckelbaar doen staan. Nu sien wy in de diepten uwe wond'ren

En hooren 't onder onse voeten dond'ren, Dewijl wy d' Af-grond droogs-voets overgaan. XX. Daar rysen wy in steylten tot de wolcken; Als of uw hand ons uyt de lage volcken Woud nemen in u eeuwig Coningrijck: Daar dalen wy weer; O! vervaarlijck dalen In ongeloof! wil ons Heer weder-halen Met Petro, dat ons siele niet beswijck. XXI. Daar sien wy niet dan lucht en water Heere Dat ons de Hooghte van u Goedheyt leere' Sal, en den Af-grond van u toornicheyd: Ach! dat het stadigh sien van Zee en wolcken Ons on-op-houd'lijck die twe diepe kolcken Bedencken de'en en spreken met beleyd! XXII. De gansche werlt schijnt in dit Schip te wonen En uwen knegt haar Leeraar: Laat hem tonen Een ongemeene yver-geest, en kragt. Ons Vader (want gy kunt het met een wenken) Woud gy hem al die sielen goedig schencken Dat hy die u in Christo weder-bragt. XXIII. Op uw gena en ons geloof wy drijven; Laat uw gena ons schip en masten stijven; Dat uw gena ons still' de woeste Zee; Laat uw gena voor Monsters, stormen, Baren, Laat uw gena voor stranden ons bewaren; Door uw gena wijst ons een veyl'ge ree. XXIV. Maar allermeest laat ons geloov ons hoeden Door uw gena in voorspoed, en uw roeden: Laat uw gena ons voor der menschen schrik Beschutten, en voor onser oogen lusten:

Laat uw gena in onrust ons doen rusten: En in genaad neem onsen laatsten snik. 13. Slagt-maant 1659.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen · Jodocus Lodenstein · Poetry Cove