Op den trant van Daphne.
I. OUd Alpisch wijd-vermaard gebergt Dat uw sneeuwige toppen ten Hemel streckt, En met uw cruyn de wolcken tergt, Seg ons op wat u schaduw voor gruw'len deckt? Seg ey! waarom der rechtveerdigen Psalmen, Soo dof, soo treurich gaan en troosteloos? En wat uw clippen soo doof weer doet galmen? Sijn al uw kruynen nu geneugteloos? Daar
Iacob eertijds plag, Als hy sijn Rachel sag, Sijn snaren ter eeren der Godheidt te slaan, Daar horen wy niet als Treur-psalmen gaan. II. Wat wonder, dat ons steylte swijgt, Als het Hemelsch geslagte sijn juychen staackt, Als Zyon sugt, als Zyon hygt, Dan in Hemel nog aard' is dat ons vermaackt. Beren en Tygers verschrickelijcke leeuwen Lopen en roven door ons dalen heen, Dus wy en horen dan yselijck schreeuwen Vermengt met Zyons deerelijck geween: En 't gruwlijcker geluyd Van 't al vermoordent cruyd, 't Gebulder van het geschut en trompet. Niet seldsaam ist dat ick mijn toon daar na set. III. Onnosel sat mijn wereloos volck, En ick queecktese tusschen mijn steylten in: Het hoorden niet dan 's Hemels tolck En het agted en sogte maar sulck gewin. Als mijne toppen van sneeuw boven grijsden Ruyschten de winden door 't coorn in het dal, Dat met wat oly haar kinderen spijsde, En 't bloed der druyven was dranck voor hen al: Sy crenckten niet een mensch: Sy steurden niemands wensch: Een wereld op haar selven, dien eere nog goed
Haar dalen deed laten, of roerde't gemoed. IV. Gods Soon was nauwlijcx opgestaan En het aardrijck beweldaadt met so een ligt, De Boden nauwlijcx uyt gegaan, Oft het ligt wierd in mijn Valleye gestigt. Wondere treck van de Godlijcke goedheyd Romen had d' aarde betovert: en t'hans Deckte den Hemel voor Rome 's verwoedheyd In my de waarheyd en haar heyl'ge glans. Het onverdient besluyt Koos mijn valleyen uyt, Om daar te bewaren, de waarheyd kuys, Den toevlugt der vromen der Godlosen cruys. V. Der Vromen toeverlaat; die 't ligt Van de Waarheyd door't nevelig Romen heen Met vreugde cregen in 't gesigt, En sig voegden met my door de waarheyd aan een. Vredige toevlugt als d' yslijcke clauwen Van 't seven-hoofdige Beest helsch verwoed Tragtede 't Hemelsche saat te benauwen In dorst na 't costelijck onnosel bloed: Voor Sions armen hoop Die herwaarts sig ter loop Onder mijn schad'wen begaven, en stil, Beleefden met ons 's Hemels waarheyd en wil. VI. Der Bosen Cruys, want als het Ligt Door de dampen van menschen-breyn wierd beswalkt, En Christi Bruyd ontmaagdt, ontstigt, D'eenvoudige vromen verwonne verschalckt; Schoten die stralen in't duystre geweten Der duysterlingen, en ontdeckten 't quaad, Dat sy wel wisten, maar niet wouden weten Die des ontbersten in onsoenb'ren haat.
Thans was de tijd vervuld Van 't Heylige geduld, Als't magtige Babel sig droncken in bloed Soud drincken, en trappen Gods Bruyd met de voet. VII. Dus als de duystre onwetenheyd Onse stralen sag schittren van heynd' en veer, Riep sig de nijd te berste // en seyd; Dese straal was den daal van ons not, en eer! Siet dit de Wereld so staan wy verlegen: Wie siet den dag, en blijft steeds inden nagt? Hemel, en aarde laat ons vry bewegen, Kercklijke tugt, en al des werelds Magt End' wilt den Hemel niet, Of swigt het aardsch gebied, So moet het de Hel doen! Mit berste daar uit. Moord, Roof, brand, en Laster met schricklijck geluyd.
Cookies on Poetry Cove