Skip to content
1676

Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen

Jodocus Lodenstein

Te singen als O Heylig salig Bethlehem!

I. O! Heylig, Heylig, Heylig Ligt! O on-naspeurelijcke wijsheyd! Die oock 't verstandigste gesicht.

Bedwelmt, en al uw Scheps'len wijs leyd! II. Ick buyg ootmoedelijck mijn knien, Dat sig uw Godheyd t'mywaarts keere, En geev' dat ick U sonder sien Aanbidd: en Gods-dienst-pligtig eere. III. Uw Knegt ging in de Duysterniss' Exod.20.21. En daar alleen waart Gy te vinden: Wiens woon-plaats in het Doncker is Om alle schepselen te blinden. IV. Gy sijt een Ligt, en woont in 't ligt,1.Tim.6:16 ('T is waar) maar daar geen mensch can toe gaan, En daar het scerpst-siend' oog voor swigt Dien Gy een blick van verr' wilt toestaan. V. O! saal'ge Blindheyd! Duisternis! Voor 't Costelijckste ligt te kiesen! Wie soud niet beyd sijn oogen wis Danckbarelijck daar voor verliesen? VI. Mijn liefsten Heyland! die daar woud Matt.5:19. Mijn regter-oog als 't in de weeg is Verblindet hebben, 't slincker stout Met regt ook na dat oordeel veeg is. VI. O saal'ge Dwaasheyd! daar op eerd 1.Cor.3:18. Wat wijs is sig in moet verliesen: En niemand is de wijsheyd weerd Dan die die Dwaasheyd can verkiesen. VIII. Als my des Heeren wijsheyd geeft

Te sien de reden van Haar wegen, Ben ick haar dank-baar, en beleeft Prijs die, maar spreeckse nimmer tegen: IX. Maar als het Haar oock niet en lust: Dan prijs ick blind'ling al Haar dade, En vind my (dunckt my) meer gerust, Dan als ick na de Reden rade. X. Wat peylt een schepsel 's Scheppers werck Of 't reedlijck is, en 't wit can raken? Dewijl den Schepper wijs en Sterck Het, met sijn doen can Reedlijck maken. XI. Den Hemel wercke wat Hy wil, Dewijl Hy d'Eeuwige Besluyten Uytvoert: en 't Schepsel swijge stil, En sluyte Rede, en Wijsheyd buyten. XII. Telt op uw ving'ren vry, wat regt Wat onregt sy in 's Heeren daden, En luystert wat de Reden segt Dit baat de werld, en dat sal schaden. XIII. O! dwasen mensch! voor desen was Ick oock so wijs: maar na den Afgrond Van dese wijsheyd my genas, Ick haast van al die Dwaasheyd af-stond. XIV. Doe was 't mijn Hemel (dagt my) van Al Godes daden Re'en te wijsen: Nu is't mijn Hemel, dat ick kan, Al sie ick 't niet, die wijsheyd prijsen. XV. Ey! Prijsen! Prijsen is mijn pligt, Niet vragen wat'er Goed of quaad is.

Wat can het anders zijn als Ligt, 't Geen d'uytvoer van den eeuw'gen Raad is. XVI. Wat doet der saal'ger Geesten schaar Al juychende door Edens paden? Als prijsen 't geen door d'uytcoms haar Vercundigt werdt van d'Eeuw'ge Raden. XVII. Soo veel heb ick te doene met De Wijsheyd blindeling te prijsen, Dat ick geen tijd en heb soo net Wat goed of quaad schijnt aan te wijsen. XVIII. Den Hemel schiep my tot sijn Eer, Niet tot het Oordeel van sijn wercken; Blijckt my reen Reden, dies te meer Kan ick mijn eygen dwaasheyd mercken. XIX. Cort-om; segt my den Hemel oyd Den waarom; soo sal ick Hem roemen, En werck, en Reden beyd voltoyd Al-prijsend Gode-weerdig noemen: XX. Weet ick die niet, om dat het uyt De Goedheyd comt, is 't goed te noemen; En, want het uyt de wijsheyd spruyt, Als on-verbeterlijck te roemen. XXI. Wie is'er die niet billijck schatt Dat Reden hier maar enckel waan is? En 't werck te prijsen meest om dat Het van de wijsheyd selv gedaan is. Tot Rees 25. In Loumaand 1674.

Eynde der Reesche Liederen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen · Jodocus Lodenstein · Poetry Cove