Op den Roock des nagts.
HIer en is het niet te rusten!
't Hert my berst, de keel wil toe!
Wien soud sulck een slapen lusten?
't Roken maackt my 't slapen moe'.
Lucht! ey lucht! of siet wy smoren!
Op! op! maackt het vier een gloed;
Laat het nu ons slapen storen
Eer het flux wat erger doet.
Laas! wat sijn ons lichaems lusten!
Nu ist wat, en strax geen deeg:
Nu veel moeytens sou 't wat rusten
So 't voor rust geen onrust creeg.
Wel, mijn siel, en soekt geen vreden
Hier op aard in 't lemen-huys,
Want een roockjen hier beneden
Kan in 't rusten sijn uw Cruys.
Soeckt de ruste van hier boven,
't Heyl dat nimmermeer vergaat
Daar geen roock can vreugd verdoven
Daar de Vree voor eeuwig staat.