Op 't Scheeps-wandelen.
SChipper! na wy daar wat aten
Dunckt my was het aangenaam
Wat te wand'len; daar wy saten
Is het gang-boord nu bequaam.
Maar matroos, als ick daar wandel
Hoe cund gy daar dan oock gaan?
Ia, nu leer ick scheepsen handel,
Dat can 't samen wel bestaan.
Als de Zee slegs niet verbolgen
Al te seer deynst op en neer;
Gy sult voorgaan, ick sal volgen
Dan ga 'k voor, en gy volgt weer.
Nedrig hert; dat gy waarderen
Andrer gaven cunt, niet d' uw:
Doet dat gy haar hulp ontberen
Moet en schuylen eensaam, schuw.
Doet so niet, maar vry u voegen
Aan haar lieve reyen gaat:
Ick werd borge voort genoegen
Dat u beyd te vinden staat.
Gaan sy veeltijds u te voren,
En gy haar maar volgen moet:
Sijt te vreden, want het hooren
Doet u dickwijls 't meeste goedt.
Seker, Dat sal nog eens keren,
En (hoe weynig gy het siet)
Gy sult leren, die u lieren
Ia gy leerts' en weet het niet.
By comt sitten aen haar voeten
En sy leren u het Goed.
Die dan dickwijls weder moeten
Van u leren hoe gy doet.