Stem: Andromeda.
I. WAt derelijcker clagen Is dat! ick heb mijn dagen (Wat ergens oyt geviel) Niet diergelijcx gehoort, ey! luyster toe mijn siel! II. Die eens schiep al de beecken, Die springen uyt doet breken Schreeuwt uyt een drooge borst, Ah! Ah! ick brand, ick brand, mijn dorst! helaas! my dorst! III. Mijn sweet is my ontdropen, Mijn bloed is my ontlopen, Droog is my 't ingewand, Mijn tong cleeft aan mijn raax, en 't innig herte brant. IV. Nu can ick eerst gedincken Wat ick aan 't Hemelsch drincken Verloren heb; wanneer Ik voor eens dienstknegts schijn liet varen 'sHeren eer. V. Ah! lieflijk Cedron-stroomtje,
Dat onder menig boomtje Ten dale-waarts u spoeyt, Kom met een drupje nats mijn droge tonge sproeyt. VI. Want siet nu hier die trotsen, Dien 'k water uyt de rotsen Gaf; hebben, als ick ly, Nog Raphidims geschenck, nog Meriba's voor my. VII. Maar wat uyt Mara's vloeden. Dit onbarmhertig woeden Noghtans, en is het niet Dat stoff geeft aan mijn clagt, en pit aan mijn verdriet. VIII. Maar laas! de Helle-gloeden Van 'sHemels grimmig woeden Sijn 't, die my desen brand Gestigtet hebben in 't borgtogtig ingewand: IX. Want siet ick had maar even Mijn siel te borg gegeven Voor sondaars; en het vier Den sonden toegedoumt, was dadelijck tot hier. X. Dat braadt mijn siel van binne, Tot dat ick 't overwinne, Dat droogt my 't heylsaam nat Dat my te troosten plag, en maackt my ''t herte mat. XI. Die wat'ren van het leven Die 'k andren plag te geven, En ick in vol genut Besat, sijn nu geheel door droogten uytgeput. XII. De vlammen van de Hellen Sijn 't die mijn siele quellen,
Dies staat mijn dorre borst En brand, ah! ah! en brandt, my dorst, Helas! my dorst! XIII. Wat derelijcker clagen Is dat! ick heb mijn dagen (Wat ergens oyt geviel) Niet diergelijcks gehoort, ey! merckter op mijn siel! XIV. En leert met een doorgronden Den angel van de sonden, Die Godes eygen Soon Leert op sijn swanensang so clagelijcken toon. XV. Hoe deerlijck sal dan clagen Den swacken mensch, in 't dragen Van 'sHeren grimmicheyd, Als hert, en tong, en long hem gansch in vlamme leyt? XVI. Maar u laat Christi sticken Van Dorst, mijn siel, verquicken; Gelooft dat dese dorst U vrijdt van 't ewig vier, van droge tong en borst. XVII. Mijn dorre siel gaat henen Nu naar uw Heyland wenen, En smeeckt dat Hy u geeft 't Beloofde dat Hy door sijn Dorst verworven heeft. XVIII. Die wateren, die vloeden; Waar toe hy al de moeden En dorre sielen noodt, Tot suyvring van ons' hert en redding van de doodt. XIX. Maar boven al in vresen Wagt u, mijn siel na desen, Dat noyt uw dorstige aard
Na bose lusten dorst, met vuyle lusten paart. XX. Dorst na die suyvre beeken Die uyt sijn wonden leecken, Die hier van dorst versmagt, Sijn dorst u lesschen sal, sijn flauwte geeft u magt. XXI. En so dan nog u 't herte Na quaad dorst: laat in smerte' (Als dees) den Ouden Mensch Versticken in sijn dorst, versmagten in sijn wensch. 6. Grasm. 1653.
Cookies on Poetry Cove