Stemme: Tweede lachrime van Doulant. Siet boven p. 254. I. TReurige wanden van mijn hert ontstelt, Mijn herte dat de dagen, Dat de uyren telt, En droevig smelt als wasch in 't quijnend' klagen. Soeckt hulp, nog vreugd, nog troost; Maar laat de ziel in sugten // Sig verlugten, En treurig sitten neer // Treurig sitten neer: Want dat uw kroon uw blijdschap plag voor desen // Te wesen, Is nu, ja is nu, is nu, O wee! Inder ijl // Een doorn en pijl // Van 't hert verwesen. II. 't Heerlijcke wigt de Dochter Syons sat De wer'lt en all te hooge: Maar helas! hoe had Een ogenblick die schoonheyd neergebogen! Haar glans, haar roem in de asch! En sy met nare smaden // Overladen
Moet duycken, droevig stil; Als het wild gediert Haar wijnberg treedt, en sy moet d'Eedle vrugten // Besuchten; En sien, ja moet sien, moet sien, O wee! Hare wagt // Van dag en nagt // Gedwongen vlugten! III. D' oogen betraant in twijffel of 't soo was Die sagen sig ontdragen Die 't genaden-ligt Op t' Heerlijckst in haar ziel voor dees' de'en dagen; Dees' schreeuwde Syon na, En riep dat is geen treuren // Dat is scheuren! En sonck in amegt laff, Sonck in amegt laff, Daar ligt sy nu de Bruyd van 's Hemels Sone, Die schone; Haar glans! al haar glans! haar glans! haar glans! Is vergaan // En met haar traan, Beswalckt haar krone. IV. Dien nu de wagt op 't overige volck Van boven is bevolen, Gaan helas! versmagt In vrugtelosen arbeyd sugtend dolen: Helas! der Priesteren tong, Die ons na s' Heeren weten // Wist te setten Pijpt na de siecke long, Tering-siecke long; Dien 't vreemde vier omcinglend dreygt te grijpen // Te nijpen, Tot dat sy amegtig stille swijgt, Off belaan // En onverstaan, Sal vrugtloos pijpen. V. 't Hert toont my nog, ô Syon! 't Hemelsch goed Dat uwe ziel verheugde, En in overvloed
U voor uw Bruydegom vercierde in Deugden: Ah! was die stem maar stem! En al die woorden sonder // Kragt, dat 's wonder! Die waarheyd sonder klem // Waarheyd sonder klem? Dat dus 't regtvaardig oog in toorn komt dalen // En halen Sijn dierbare woorden 't huys! ô wee! En dus doet // Sijn toorn in gloed // Sijn kracht herhalen! VI. Sag Daniel ten Hemel uyt, hy riep, Den Propheet. Om 't vroom gemoet te veyligen: Sie! daar is daar 's nu Den lang-gedreygden gruwel in het heyligen! Den wreden Romeyn verwoet Heeft Salems puyn gewasschen // met de plassen, Van 't versch vergoten bloed // 't Versch vergoten bloed; Nu gelt het zielen-bloed van Christi leden // Bestreden, Getreden, getrapt, geruckt, verdruckt, Ia verdaan // Had dat haar traan, En sugt geleden. VII. Nu sie ick laas, ô Syon! in den druck (En druck het uyt in sugten) Al uw kinderen lief Het soet geluck, van 't magtig woord ontvlugten: De spijse van hare ziel, Die al haar kragt ten leven // Plag te geven, Dus ylings haar ontviel // Ylings haar ontviel; En nu helaas! sie ick op straat haar kragten // versmagten. Haar kragten! Haar kragt! Haar kragt! versmagt; En haar oog // Gestaag om hoog // 't Heyl ydel wagten. VIII. Dat vette daar, dat wijn en merg te saam Aan 't hong'rig hert verstreckte, 't Heerelijcke klaar
Dat aangenaam, haar leden voeglijck deckte, Van mond en lijf gescheurt, Dat is het dat de schoone // Overschone In bitterheydt betreurt, Bitterlijck betreurt; Wanneer sy siet dat al haar vettigheden // Voorleden, Vergaan, vast vergaan, vergaan, O wee! En de pragt // Van 's Werelts dragt, Haar dreygt te kleden. IX. Daer sietge nu, daar siet gy nu helas! De tonge van den suyg'ling Aan de raacx gekleeft, En van den dorst beswijcken 't arme buyg'ling: En! luyster! dat breeckt het hert Daar roept een Lam om vrugten // En met sugten Moet Moeder seggen las! 'k Heb het niet mijn Lam! Waar sijn sy nu die leckernyen aten // En saten In pragtig blancketsel valsch verciert? Ah! wat smert!! // Daar ligtmen swart, Verwelckt op straten. X. Ierusalem als ick den Goddeloos' Hoor klappen in sijn handen, En het hooft om hoog In sijt al sleuytend knerschen op de tanden, En roepen last'rend' ha! ha! Daar sien wy 't vrolijck dagen // En de lagen Van heyl'gen schijn, ontdekt // Na ons wensch ontdekt: En ick sie u geen troost in all u Vrinden // Te vinden: Dan roep ick, dan schreeuw ick wee! o wee! Magtig Heer! Kom, kom nu neer, Uw Volck verbinden. XI. Heylige Godt! rechtveerdig eeuwig Ligt Hoe kondt gy dus uw Lammeren Met een hard gesigt
Uw stuyrs gelaad in tranen sien bejammeren! Dewijl uw Vyande fell U in uw kind'ren smaden // Die beladen Haar spot sijn, en haar spel // Sijn haar snaren-spel: Waarom, Heer! komt haar niet dien kop der schanden // Ter handen? Dat s' all' in het drincken vol en doll// Niet meer staan // Niet meer bestaan, U aan te randen: XII. Ierusalem! Ierusalem! uw Hert Is van den Heer geweken, Dat doet u de smert; Beschrey uw' schult met diere tranen-beecken. De Wagters van uwe Ziel En hebben een uyt hondert // Niet gedondert Na dat uw glans verviell // Als uw glans verviell: Dewijl gy laas niet min dan 's waarheyts kragten // Betragt'den, Die kragt // Heyl'ge kragt // Die kragt, die kragt Die veragt // En onbetragt // U baart veragten. XIII. Heylige Stadt! ick sie u moed van hoon Na 't eynd onlijdsaam haken; In mijn Vaders Throon (Segt gy) sal my geen laster-pijl genaken. Uws Vaders Throon is op aard, Daar door Hy 't al regeeren // Kan en keeren; Legt u daar sagt op neer Dat u niets en deer. En als 't gelooff in noodt genaden-stralen // Laat dalen In 't hert, en 't gemoet genoegen doet; Desen glans, Sal Throon en Krans // Uws Vaders halen.
Cookies on Poetry Cove