II. Rust. XIV. Daar steeckt dien Held, den Bruydegom, Sijn hooft te bedd uyt! wellecom! Roupt al wat sig op d'aarden houdt; Den nugtren mensch hem danckbaar groet, Het telgje recht hem in 't gemoet, 't Gevogelt schettert door het woud. XV. So juygten 't al doe 't Hemelsch Lam Van 't Heyl'ge vat ter wereld quam, Dien opgang uyt der Hoogte seeg; Den Hemel scheurde, en 't Heylig Hoff Song 's Hemels Wijsen Goed-heyd loff, En d'aard in vreugd ten Hemel steeg. XVI. 't Gesigt van gistren avond laat Stond truyrig; daar de dageraad Aen alles blijder aansien toont: Den dauw-drop glinstert aan het gras, Het groen staat groener als het was, Het morgen-schoon het alles schoont.
XVII. Mijn schonen Jesus geeft het al Wat schoon en on-schoon is een val: Ons voor-soed maackt hy tot een blijck Van 's Hemels gunst, ons enig goed; Ons on-spoed maackt hy enckel spoed; Self schoon, de Schoonheyd wesentlijck. XVIII. Des werelds lig en ligt sijn ligt Nauw boven onsen kim, of 't swigt In holen wat verslindend was: Dus wat mijn siel vervaarlijck schijnt Op Iesus heldre comst verdwijnt, En blijckt maar tandeloos gebas. XIX. Het dreygen scheen my schrickelijck, De werelt, en 't vleesch aan-lockelijck, Dewijl ick in het duyster lag: Maar by dit ligt is al dat deert, Of soet is, niet een bone weerd, By dat ick in mijn Jesu sag. XX. Dat Rijsend Ligt is enckel soet; Met fellen straal, nog heten gloed En deert het, als de Middag-Son; Waar is dat enckel vreugde geeft Dat niet een pijnlijck' angel heeft Van al dat oyd het herte won? XXI. Maar Jesus maackt het Heerelijck Ons door en door genouchelijck, Als d'eeuwige Regtveerdicheyd (Hoewel door sonden opgereuyt) Door Hem versoend, haar weder-steuyt Van wraack niet over ons en spreydt.
XXII. Gaat voedt u dan met draf en stanck (Die wil) op aard uw leven lanck, En sport met mijn hoop (seg hy) vry. Val ick, dees doet my weder staan; En moet ick in het duyster gaan; Mijn Jesus is een ligt om my.
Cookies on Poetry Cove