Stemme: Ps. 103. I. DUs steken wy van 't vaste land, O Vader! O Woord! O Geest! O een'ge Goetheyds ader! Oh! waren onse trage herten vlott! Om u te roemen, als wy lijff en leven De wanckelbare baren overgeven Op uw gena, Drie-eenig Magtig Godt. II. Op uw gena wy op de diepte drijven, En dencken, Vader, doet op ons beclijven De diepte van uw Goedertierenheyd! En kaatsen ons de baren op en neder? Ons' ancker in den voorhang doet ons teder Gemoed vast staan, in uw schoot neer geleydt. III. De winden die storm-driftig op ons druyschen Ons dencken doen, en sugten om het ruyschen 1 Corn.19:12. Van Horeb, en 't geluyd van 't Pinxter-feest: Dies in haar sugten, sugten wy daar onder, En sugtend singen: Vader! send ons 't Wonder Van Pinxster in het senden van uw Geest! IV. Nog diepe diept', nog stercke wind, nog baren En sullen met haar schricken ons vervaren; Ons' lot is sonder vrees te sijn in nood. Want siet, het is ons Vader die de winden In handen heeft; en als Hy ons ontbinden Wil, valt ons siel in sijn heylsame schoot.
V. Heft sig het water? 't heft ons meed', en Vader Het brengt ons sielen tot uw Hoocheyd nader: Hoe dieper nat, hoe verder van de grond. Oh! dat ons siel maar verr' genoeg van d' eerde Geheven wierd, en ster-oogde op die weerde Van 't Goed, wiens plaats is boven 't sigtbaar Rond. VI. Nu sullen onderwijl ons baar' en winden Uw diere Goedicheyd doen ondervinden, En met hun swalpen, en hun fel gedruysch Ons dragen waar wy willen: (want sy moeten U, Vader, dien wy nu Gods-dienstig groeten Ten dienste staan) en ons weer brengen 'thuys. VII. Maar Vader onder dies uw vreemdelingen Gedenckt, die hier in ballingschappen singen In 't midden van der wateren gedruysch: En send de soete beeckjens der rivieren, En laat haar wind en golven sagjes tieren, En brengen ons, by u ons Vader t'huys.
De winden sien op Goed, op Adel, Jonck- nog Schoonheyd. Der winden Heer alleen siet in wiens hert sijn Soon leydt.
Cookies on Poetry Cove