Pause.
5.
Myn boodschap klonk van uw gerechtigheit,
Eer ik een groote schaar verliet.
Sie, ik bedwong myn lippen niet.
Gy, Heere, weet hoe ikse heb verbreidt.
Nooit burg myn hart uw rechten,
Ik sprak, tot alle knechten,
Van uwe waarheit klaar,
En heelde bang, noch schouw,
Uw heil, genaa, en trouw
Nooit voor een groote schaar.