2.
Elk voorgeslacht zal aan het naageslacht,
Ten roem uws werks, verkonden van uw magt.
Ik spreeke van uw eer, uw majesteit,
Uw heerlik woord, en wonderwerks beleid.
Sy zullen van uw kracht, en daaden melden,
Als vreeslik voor die teegen u sich stelden.
Ik zal niet min uw grootheit voort vertellen,
En ieder een die naakt voor oogen stellen.