3.
De Heere proeft oprechte vroome sinnen,
Maar syne ziel haat ieder godloos kind,
En die geweld, en ongelyk beminnen.
Hy zal, op t hoofd van die hy godloos vindt,
Valstrikken, vier, en sweeven als voor deesen,
Doen reegenen, ook zal een storm van wind
't Geschonken deel in hunnen beeker weesen.