3.
Syn quaade weg baart altyd schrik, en wee,
Uw oordeel dryft te hoog van hem van daan.
Bestraft men hem, hy blaast, niet wel te vree,
Op alle, die in 't minst hem weederstaan,
Syn harte seit, ik zal niet wankel gaan,
Wie sonder quaad, en ramp, als ik, mag bloeijen,
Zal, van geslacht, tot in geslachten, groeijen.