6.
De kooningen, en ieder een
Van al hun heiren, vlieden heen,
Sy vlieden allerweegen,
En sy, die t'huis bleef by heur spil,
Verdeilt den roof, na wensch, en wil,
Met heurs gelyk gekreegen.
Al schoonge, tusschen staapels steen,
Zo tot twee rygen los aan een,
Als waar veel koks in vuuren,
Zo swart, als die, van rook geplaagt,
Gelyk voorheen, als slaaven, laagt,
Het zal niet lange duuren.