2.
Maar wie rechtvaardig hem belydt,
Zal, om des vyands val verblydt,
Van vreugden op gaan springen,
En, om 't genot van zulk een deugd,
Voor 't aansigt Gods, in hem verheugt,
Van blyschap vroolik singen.
Singt Gode, psalmsingt synen naam,
Verhoogt, en maakt den weg bequaam,
Voor hem, die daar, met eere,
Op 't heerlikst aankomt, van seer wyd,
En oover woeste velden rydt,
Want synen naam is Heere.