7.
O myn ziel, gy buigt u needer,
Woelt, en tiert in my zo seer,
Wat verflaauwtge nu zo teeder?
Hoop gerust op God, den Heer,
Want ik hem, door hem gevrydt,
En van aangesigt verblydt,
Noch weer zal, verlost uit stryden,
Voor myn heil, en God, belyden.