2.
Want datse 't land ten erve kreegen,
Quam door hun swaard, noch oorlogsdeegen,
Hun erm, noch kracht gaf hun geensins
Zo grooten heil, en veel gewins.
Uw rechterhand, uw erm, uw magt,
En 't licht uws aansigts, datse saagen,
Die hebben sulx te weeg gebragt,
Want, Heer, gy had in hun behaagen.