14.
Ik zal hun afval, met de roe, besoeken gaan,
En, om hun onrecht, hen dan wel, met plaagen, slaan,
Maar nimmer zal ik hem myn goede gunst onttrekkẽ,
Noch myne waarheit ooit, met loogentaal, bevlekken,
'k Ontheilig geen verbond, noch maak veranderingen
In trouwbeloften, die uit myne lippen gingen.