3.
Gy rukt hem weg, als in een stroom verslonden,
Hy schynt een slaap. Self in syn morgenstonden
Gelykt hy zoo veranderlyk van weesen,
Als weelig gras, dat 's morgens bloeit gereesen,
Van daauw vervarscht, maar eer het aavond wordt,
Wel afgesneên, verandert, en verdort.