13.
Ik was eens jong, en sag, ook oud van jaaren,
Nooit dat de Heer 't rechtvaardig volk verliet,
Noch ooit hun saad, als't brood socht, arm liet vaaren.
Het geeft, en leent, den ganschen dag om niet,
Het kan geen brood voor goede vrinden spaaren,
Dies seegent God hun saad ook, dat men 't siet.