4.
Hun innerst seit, ons huis moet eeuwig staan,
En denkt dat nooit hun wooning zal vergaan,
Maar van geslacht, tot in geslachten zyn,
Hun naam vernoemt veel lands om zulken schyn.
Want seggen sy, een mensch, al is hy groot,
Blyft van syn eer niet oover, naa syn dood,
Gelykt een beest, dat, van syn ziel versteeken,
Met haar vergaat, en nooit van sich doet spreeken.