2.
Myn gansche lust strekt dies tot heilig saad,
En heerlik volk, die op der aard verkeeren.
Maar 't wee van die een andren God begaat,
En dien begift, zal daagelyks vermeeren.
Ik zal geensins hun bloeddrankoffers plengen,
Noch hunnen naam op myne lippen brengen.