22.
Het wist niet meer hoe hy Egipten quelde,
Doe hy aldaar syn jammerteekens stelde,
Syn wonderen, in Zoans veld, liet woeden,
En hun rivier, in bloed, dat rood bleef vloeden,
Verandert had, op dat noch man, noch vrou,
Noch eenig dier hun stroomen drinken zou.