26.
't Hoovaardig volk heeft my te seer bespot,
Noch ben ik van uw wetten niet geweeken,
Maar onderhiel te vroomer uw gebod.
Ook wist ik, Heer, my troost in 't hart te spreeken,
Wanneer ik dacht hoe aan zo snooden rot
Uw oordeel sich, van ouds al, pleeg te wreeken.