5
Gy zult haar volk, met eenen ysren staf,
Aan stukken slaan, als pottebakkers vaaten,
En wat verhardt sich teegen u begaf,
Als scherven, langs het veld, verstrooijen laaten.
Nu dan, siet toe, gy kooningen, en heeren,
Pleegt wysen raad, en wilt uw doen verstaan,
Gy richteren der aarde, laat u leeren
En neemt myn tucht goedhartig vaardig aan.