21 Schin.
81.
Schoon meenig vorst my, sonder oorsaak, Heer,
Vervolgen quam, langs bergen, bosschen, heggen,
Myns harten vrees was voor uw woord veel meer.
Ik ben, om 't geen uw gunst my toe liet seggen,
Zo seer verheugt, ja immers ruim zo seer,
Als eener, die een grooten buit vindt leggen.