2.
Uw goedheit, Heer, is heemelhoog,
Uw waarheit raakt der wolkenboog,
Uw recht, en oordeel, Heere,
Zyn bergen Gods, en als een kolk,
Die grondloos is, gy houd het volk
Van mensch, en beest in eere.
Hoe dierbaar is uw gunst, o God!
Dies vluchten 's menschen kinders tot
De schaaduw uwer vlerken.
Uw huisvet vloeit, en maaktse sat,
Uw lustbeek drenktse met haar nat,
Om hunne ziel te sterken.