3
Springt op, van vreugd, voor syn gesigt,
Hy aller weesen vaader richt
Ook 't leed der weeduwvrouwen,
Want hy, de God, die hoog gekroont,
In syne heilge neede woont,
Wil datse hem vertreuwen.
Die God, die 't eensaam jeugdig bloed,
Gehuist, met kinders, woonen doet,
Breekt keetens, boei, en banden,
En voert gevangens uit die pyn,
Maar die hem weederspannig zyn
Bewoonen dorre landen.