11.
De jonge leeuw doorwandelt dan het loof,
En briercht, als dol van honger, om een roof,
Hy swerft benaauwt, en kykt na alle hoeken,
Om syne spys, van God verwacht, te soeken.
Maar gaat de son weer op, met haar gety,
Het wild vergaart, en maakt sich aan een zy,
Elk vindt syn hol, in struiken, kruid, en heggen,
En blyft daar in, by daage, neederleggen.