4.
Gy mint het recht, en haat den goddeloosen,
Dies heeft, o God, uw God u uitgekoosen,
En meer gesalft dan eenig metgenoot,
Doe hy op u de vreugdenoli goot.
Mirr, aloës, en kassilucht vereeren,
Van syne salf, een geur aan al uw kleeren,
Geen rykspalleis blinkt dus ook van ivoor,
Sinds dat uw sin die blyde dragt verkoor.