Pause.
4.
Al wie my haat versaamt sich aan een sy,
En mompel teegen mv,
Ja elk bedenkt dan reegen mv een raad,
En smeedt my al e quaad.
Sy seggen, o! hem kleeft een schelmstukaan,
Daar komt het wis van daan,
Dat hy, die leic, van deesen overval,
Niet weeder opnaan zal.