4.
Zo antwoord, singt, en dankt den Heere,
Uw harp speel onsen God ter eere.
Hy is 't, die 's heemels licht kan dekken,
En dicht met wolk, aan wolk, betrekken.
Die 't aardryk, is 't om nat verleegen,
Haar dat bereidt, en schenkt door reegen.
Die dichte bergen weet t'ontsluiten,
En 't voedsaam gras daar uit doet spruiten,