3.
Dus zal ik, als een dankbaar mensch,
Uw lof, zo lang ik leeve, spreeken,
En myne palmen opwaarts steeken,
Wanneer ik, in uw naam, iet wensch.
Myn ziele werdt versaadt met dingen,
Als smeer, en vet, ja ruim zo soet,
Dies roemt myn mond dat groote goed,
Met lippen, die vol juichens singen.