4.
Gy keeft maar eens, uw schelden kreeg gehoor,
Al 't waater vloodt, en liep seer haastig door,
Het sonk daar heen, in diepten afgesondert,
Zo draa uw stem daar oover had gedondert.
Zo rees 't gebergt, dat doe syn hoogten kreeg,
Zo daalden al de daalen naa om leeg,
Elk nam syn stee ter plaats die gy bereidt had,
Welks vasten grond uw hand voor hun geleit had.