7.
Waarom veracht de goddeloose God?
Wat sei syn hart, gy soekt, noch straft het niet?
Gy saagt seer wel 't misdaane van dien sot.
Want gy aanschouwt de moeiten, en 't verdriet,
Op datge t in uw handen legt, en siet.
Dies laat den hoop der armen u het wreeken,
Uw noodhulp is den weesen wel gebleeken,