2.
Die, in Mary, een maagd, met deugd verciert,
Van God, den heilgen Geest, ontfangen,
Uit heuren schoot gebooren wierdt,
Van onbesmetlik vleesch behangen.
Die, sonder schuld, en valsch beticht,
Ten onrecht, van Pilaat gericht,
Na seer veel leeds, door 't boos gespuis
Gestorven is, en, van het kruis,
In 't graf gelegt, ter helle neergedaalt,
Voor onse sonden heeft betaalt.