9.
De Heer kastydde wel myn sonden,
En strafte my, met slag, op slag,
Maar gaf myn ziel, hoewel vol wonden,
Niet oover in des doods gesag.
Gy wachters, oopent, God ter eere,
De poorten der gerechtigheit.
Ik zal daar ingaan, en den Heere
Zo looven, als ik heb geseit.