9.
Want lasteraars, en hooners spreeken
Een stemme die myn hart moet breeken,
En onse vyand, heet van wraak,
Verkoelt syn bloed in zulk vermaak,
Dit alles quam ons op het lyf,
Noch hebben wy u niet vergeeten,
Noch ons, tot eenig valsch bedryf,
Iet teegen uw verbond vermeeten.