15.
Wie vet op aard is eet, en bidt hem aan.
Al wie in 't stof, van hartseer, daalen most,
De ziel ook die niet lange leeven kost,
Bukt voor syn oogen.
Hy zal hun saad tot synen dienst gedoogen,
Het zal den Heer, met hun geslacht, en neeven,
Vervolgens steeds ook werden aangeschreeven,
En toegeleit.