2.
Want, Heer, ik ken myn afval van voorheen,
Myn sonde waart geduurig voor myn oogen,
Ik sondigde, door wellust opgetoogen,
Stout teegen u, ja teegen u alleen.
Ik hebbe, voor uw oogen, quaad gedaan,
Dies hebtge my rechtvaardig aan doen spreeken,
Ook zoudtge rein uit uwen richtstoel gaan,
Zo uw gericht sich aan myn ziel dee wreeken.