27.
Een schrikbre storm bevangt myn ziel te lang,
Om die uw wet zo goddeloos verlaaten,
Myn meely maakt my hunnentweegen bang.
Uw instel was, terwyl ik my sag baaten,
Ten huise van myn vreemdlingschap, myn sang,
Ik song daar van alsdan op blyde maaten.