9.
Gy hoorde, Heer, den wensch van 't sacht gemoed,
Versterk syn hart, door vaste rust, en vree,
Uw oore merk op 't bidden dat het doet,
Om steeds den wees, en 't volk in druk, en wee,
Zo recht te doen, gelyk uw throon nu dee.
Dan zal een mensch, uit aarde voortgesprooten,
Niet meer, ten schrik der kleinen, sich vergrooten.