2.
Hy zal ons uit des vyands magt,
En handen van al 't boos geslacht,
Dat ons zo haat, verlossen gaan,
En dus syn trouwe doen bestaan,
Gelyk hy, uit barmhartigheit,
Aan onse vaaders heeft voorseit.
Want hy gedenkt gestaadig
Aan syn verbond, en hooggeswooren eed,
Dien hy aan vaader Abram deed,
En onderhoudt zulx heilig, en genaadig.