10.
Hy hoedt niet slechs syn ziel,
Maar al syn beendren ook voor leed,
Niet een van dien en brak, noch spleet,
Vermids 't hem niet geviel.
De boosheit doodt haar heer,
Die goddeloos haar werk bestaat,
Wie ook 't rechtvaardig volk ooit haat,
Diens schuld verwoest hem seer.