7.
God lacht hem uit, syn valdag siende koomen.
Het godloos rot trekt swaarden uit de schee,
En spant hun boog, om hulpeloose vroomen.
Op dat het die nooddruftig zyn, daar mee,
Ter aarde vel, en, eer het werdt vernoomen,
't Rechtweegig volk ter slachting tref, als vee.