3.
Op datwe vry van 's vyands hand,
Ons leeven lang, elk in syn land,
Geheel oprecht, en heiliglik,
Hem dienen, sonder vrees, en schrik.
O myn onnoosel kind, gy heet
Des allerhoogsten heilprofeet,
Want hy heeft u bescheiden,
Om, in syn dienst, voor 's Heeren aangesigt,
Voorheen te gaan, op dat uw licht,
Ons voorgestelt, syn weegen zou bereiden.