2.
Elk stamhuis, 's Heeren stam genoemt',
Gaat derwaarts op, alwaar 't sich buigt,
Na 't woord aan Israël getuigt,
En 's Heeren naam belydt, en roemt.
Dewyl 't gestoelt van 't hoogst gericht,
't Gestoelt voor Davids huis gesticht,
Daar, om te richten, werdt beseeten.
Men wensch Jerusalem dan vree,
Wie u bemint, o heilge stee,
Moet lang syn brood, met welvaart, eeten.