3.
Hy zal aan 't volk, dat my verspiedt,
Wel haast dit quaad vergelden laaten,
Zo roei het uit, en maak hun staaten,
Op dat uw waarheit blyk, te niet.
Dan zal ik, uit een vry gemoed,
Een willig offer u bereiden,
Uw naam belyden, en verbreiden,
Want die, o Heer, is magtig goed.