3.
Uw pylen gaan vry scherp uit uwe handen,
Wyl, onder u, veel volks, uit alle landen,
Van selve valt, zo treffen sy, met smart,
De vyanden des koonings in het hart.
Uw throon, o God, bestaat in eeuwigheeden,
Gy zult altoos den hoogsten stoel bekleeden.
Uw ryksstaf is een ryksstaf van gelyk,
Rechtmaatigheit verciert uw gansche ryk.