9.
Men offer God een rechtgebrooken geest,
Een harte dat sich selven wist te breeken,
En van berouw gebryselt schynt besweeken,
Is nooit, o God, by u veracht geweest.
Doe, alhoewel ik strafbaar my mistrad,
Ook Zion wel, na uw goedwilligheeden,
Bouw, weer versoent, Jerusalem uw stad,
Volmaak haar muur, en seegen haar in vreeden.